Gevonden routes: 98

Zoekresultaten > de koewegroute

De Koewegroute

Exacte afstand: 4,4 km
  • Foto: Marten Idema
  • Foto: Marten Idema
  • Foto: Marten Idema
  • Foto: Marten Idema
Foto: Marten IdemaFoto: Marten IdemaFoto: Marten IdemaFoto: Marten Idema

Een door palen gemarkeerde wandelroute. De lengte van de wandeling is 4,4 km maar kan worden ingekort tot 3,2 km. De groene palen zijn geplaatst aan de rechterkant van de looprichting en zijn genummerd van 1 tot 50. De route kan worden ingekort bij paal 23.

Begin van de wandeling
De wandeling door dit gedeelte van het Edese Bos begint bij de picknickplaats Harlepad aan het begin van de Koeweg.

Een stukje geschiedenis
De recreatiegemeenschap Veluwe heeft deze picknickplaats aangelegd. De naam Harlepad komt voor in oude kaarten en geschriften uit de 17e eeuw. Het was vermoedelijk de benaming van dit gebied, want in bepaalde notities wordt gesproken van Harlepadsweggetje. Op dit punt bevindt u zich op de westelijke helling van de stuwwal van Lunteren tot Wageningen. Deze stuwwal is ontstaan in de voorlaatste ijstijd, zo’n 200.000 jaar geleden. Het landijs drong toen vanuit het noorden in een trage stroom over het noordelijke deel van ons land. Een uitlopen van het landijs schoof het dal in van de rivier die in het gebied stroomde dat we nu kennen als de Gelderse Vallei. De zware ijmassa’s persten enorme hoeveelheden van de bevroren ondergrond weg. Langs de randen van het landijs ontstonden hierdoor opgestuwde wallen. De oorspronkelijke horizontaal liggende rivierafzettingen zijn in de stuwwal schuin omhoog geperst. Tot 1970 waren deze bossen in het bezit van de Heren van Kernhem. Het huis Kernhem was, in de tijd van de Gelderse Hertogen, een der meest westerlijk gelegen versterkingen als bescherming tegen de Utrechtse bisschoppen. Uit de loop van de verschillende lanen is nu nog op te maken dat het Huis en het bos één geheel vormden. Eén der lanen is de Koeweg, de oude weg naar Otterlo en waarschijnlijk één der oudste toegangen tot het Edese Bos. Rond 1500 was door de Heren van Kernhem aan de bewoners van het dorp Ede toestemming verleend om langs deze weg hun koeien het bos in te drijven om ze op gras te laten weiden.

Beschrijving van de wandeling
De route strekt zich uit ter weerszijden van de Koeweg en voert door een zeer gevarieerd gedeelte van het bos. Onderweg zult u groene metalen deksels opmerken. Onder die deksels bevinden zich pompputten van het waterleiding bedrijf. Van zestig meter diepte wordt schoon en zacht water opgepompt. Behalve vogels leven er in het bos natuurlijk ook zoogdieren als eekhoorn, konijn, vos, ree en wild zwijn. Als u hen op uw wandeling niet ziet, kunt u misschien toch hun sporen ontdekken: pootafdrukken, afgekloven dennenkegels, keuteltjes en dergelijke.

Paal 2: dalkruid
Op diverse plaatsen langs dit pad, groeit dit bosplantje dat kenmerkend is voor loofbossen op wat voedselarme zandgronden. De wetenschappelijke soort naam, bifolium, benadrukt dat de plant slechts twee bladeren heeft. Al in mei verschijnen de witte bloemtrossen. De vrucht is een kleine rode bes. Voor bosplanten is het voorjaar een gunstige tijd omdat de boomkruinen nog veel licht doorlaten.

Paal 3: kussentjesmos
Zowel links als rechts van het pad staat kussentjesmos, dat bij droog weer grijsgroen is maar bij vochtig weer donkerder kleurt. In een beukenbos is het een bijzondere plant. Waar maar enkele planten in de duisternis onder het dichte bladerdak een armzalig bestaan lijden, voelt het kussentjesmos zich er zo goed thuis dat het alleen op die groeiplaats tot vorming van sporenkapsel komt. Een oud liedje zegt: “een kussentje van mollig mos”. Maar ga er niet op zitten want het kan u zelfs in een droge zomer een natte broek kosten. Dit mos heeft de eigenschap vocht vast te houden, doordat zich in de blaadjes een netwerk van smalle, levende groene cellen bevindt die aan grote, dode cellen grenzen. Deze dode cellen dienen voor de opslag van water.

Paal 4: het beukenbos
Dit bos is ongeveer 160 jaar geleden aangeplant. Beuken worden gewoonlijk 175 jaar. Bij hogere ouderdom is er het gevaar dat grote takken zelfs bij weinig wind plotseling afbreken. Begin mei ontluikt het blad en vindt ook de bloei plaats. Bestuiving geschiedt door de wind. De vrucht is een stekelige bolster die twee driekantige nootjes bevat. Bij de pas ontkiemde plantjes vallen de twee zaadlobben op omdat ze zo afwijken van de gewone bladeren van de beuk. Beuken laten bijna geen zonlicht door omdat de twijgen een zodanige stand zoeken dat de bladeren zoveel mogelijk licht opvangen. Door gebrek aan licht ontbreekt onderbegroeiing nagenoeg.  De wortels van de beuk blijven dicht onder de bodem oppervlakte. Als vanaf mei tot oktober veel water aan de bovenste bodemlaag wordt onttrokken, kan er in tijden van droogte onvoldoende water beschikbaar blijven voor de ondergroei. Een beukenbos verjongt zich niet omdat de eigen kiemplanten sterven door gebrek aan licht en vocht. Ook het slecht verterende dorre blad dat de bodem sterk verzuurt is een oorzaak van geringe ondergroei.

Paal 8: de hemlockspar
Links staat deze uit Noord-Amerika komende spar soort waarvan de wetenschappelijk naam aanduidt dat het een boom is met bijzondere naalden. Deze staan aan weerszijden van de twijgen en hebben wisselende lengten. Ze zijn slecht 6 tot 20 mm lang. De onderkant van de naalden is zilverkleurig door de stroken was die de huidmondjes afschermen om vochtverlies te beperken. De takken gaan eerst wat omhoog maar de uiteinden buigen omlaag. De top van de spar buigt altijd ver omlaag. De kenmerken van de Hemlock staan tussen die van de echte spar (Picea) en die van de den (Abies) in. De zeer klein kegels hangen als bij de spar maar de naalden komen overeen met die van de den. De geur van de bladeren lijkt op die van dolle kervel, een plant die in Engeland hemlock heet.

Paal 10: fraai haarmos
Langs de rechterkant van het pad zien we grote kussens van deze algemeen voorkomende mossoort. Fraai haarmos heeft voorkeur voor een loofhoutbodem die niet te zuur en niet te droog is. De mosplantjes worden tot 10 cm hoog en zijn daarmee iets kleiner dan de plantjes van het zeer algemene gewone haarmos. Soms steken vanuit de mosplantjes steeltjes omhoog met aan de top kleine verdikkingen, de zogenaamde sporenkapsels. Dit zijn kleine vierkantige doosjes waarin de sporen zitten. Vaak staan de sporenkapsels dwars op de steeltjes. Uit een sporenkapsel kunnen bij gunstige weersomstandigheden sporen vrijkomen. Die sporen zijn zo licht dat ze duizenden kilometers weg kunnen zweven. Op drie duizend meter hoogte worden volop mossporen aangetroffen. Uit een spore die op een gunstige plek valt, ontwikkelt zich een voorkiem. Daaruit ontstaat een mosplantje. Er is nog een andere manier van voorplanten. Haarmossen zijn tweehuizig. De manlijke planten bezitten een fraai rood top rozet dat mosbloem wordt genoemd en waarin zich blaasjes ontwikkelen met zwermcellen. Die kunnen door vallende waterdruppels weggeslingerd worden en zo op de knop van de vrouwelijke plantjes belanden waarin zich de eicellen bevinden.

Paal 12: de bergvlier
Net voor paal 12, rechts voor de bocht naar links, staat deze uit Midden-Europa afkomstige vliersoort. De geelwitte, ovale bloemtrossen komen in april of mei tot bloei. De fel rood gekleurde bessen die al in juli rijp zijn, bevatten bruine, giftige zaden. Deze vlier groeit vooral in loofbossen en wordt tot 4 meter hoog.

De gewone vlier
Deze vlier staat dicht bij de bergvlier. Hij bloeit in juni met platte roomwitte bloemschermen die sterk geuren. Vlierbloesem wordt wel gebruikt om er limonadesiroop van te maken of om er gebak of pannenkoeken smakelijker mee te maken. In september zijn de glimmende zwarte bessen rijp. Vlierbessensap wordt wel aanbevolen als geneesmiddel tegen verkoudheid en griep. Op de schors van jonge twijgen zijn opvallend duidelijk de lenticellen te zien. Door deze luchtdoorlaten kurklaagjes kan de nodige zuurstof het hout bereiken. De gewone vlier kan wel 10 meter hoog worden en komt veel vaker voor dan de bergvlier. Vogels eten de bessen graag en zorgen via hun uitwerpselen voor de zaadverspreiding.

Paal 16: de grove den
Vanaf ca. 1870 is dit een veel voorkomende boom in het Edese bos. Er was in die tijd een toenemende vraag naar mijnhout waardoor de prijzen opliepen. Het was dus aantrekkelijk om percelen met grove den te beplanten. De grove den is een snelle groeier, levert goed hout en bracht dus veel geld op. De naalden van deze den zijn 3 tot 6 cm lang en zitten in paren bijeen in vliezige buisjes. Een naald leeft ongeveer vier jaar voordat hij van de boom valt. De manlijke bloemen verschijnen in mei en groeien aan de uitlopers die al een jaar oud zijn. Vrouwelijke bloemen groeien aan het uiteinde van pas gegroeide takjes, Het zijn kleine schubachtige rode bolletjes. Pas een jaar na bestuiving vindt bevruchting plaats. Dan wordt de vrucht groter, kleurt groen en wordt een kegel. Na de tweede winter worden de schubben hard, bruin en houtig. Een zaadje zit vast aan een vleugeltje. Op zonnige voorjaarsdagen opent de kegel zich en kunnen de zaden eruit vallen. Afvallende kegels bevatten nog veel zaden. Voor eekhoorns, muizen en veel vogelssoorteb zijn dennenzaden in de winter een onmisbare voedselbron.

Paal 21: de fluiter
Oud beukenbos is het karakteristiek broedgebied voor de fluiter. De zang van de fluiter is een herhaald “sieb” dat geleidelijk versneld wordt tot een triller. Deze gewone zang wordt afgewisseld door een herhaald “pjuu”. De fluiter brroedt ook wel in opgaand eikenbos met weinig onder begroeiing.

Paal 23: inkorting van de route, LET OP!
Hier kan de wandeling worden ingekort tot 3,2 km. U loopt dan 10 m naar links en neemt daar het pad rechtsaf. U loopt steeds rechtdoor, kruist een keer een ander pad en komt uit bij paal 43.
Als u de route wil vervolgen, gaat u rechtsaf.

Paal 23: de lariks
Links van de weg staan Lariksen. Dit is de enige veel voorkomende kegeldragende boomsoort die zijn naalden in de herfst verliest. De naalden staan in bosjes (legio) met uitzondering van de naalden op eenjarige takken die solo staan. De manlijke bloemen verschijnen in april, even vóór de naalden. Ze vormen groepen goudkleurige meeldraden die heel veel stuifmeel afgeven. Dat wordt door de wind verspreid. De vrouwelijke bloemen zijn meestal roze-rood en hebben een rozet-achtige vorm. Ze worden in Engeland “larchroses” genoemd.
Larikshout is aanzienlijk sterker en duurzamer dan dat van andere coniferen. Het wordt gebruikt voor bruggen, als bouwhout en voor rompen van vissersschepen. De takken van de lariks buigen eerste omlaag maar de uiteinden wijzen weer omhoog. De afgevallen naalden verteren snel en vormen een goede voedingsbodem voor allerlei bosplanten. De Europese lariks werd in 1780 in ons land aangeplant maar bleek gevoelig voor schimmelziekten en erg vatbaar voor larikskanker. De Japanse lariks die veel forsere takken heeft, wordt nu meer aangeplant. Vogels die de lariksbomen graag bezoeken zijn onder andere mezen sijsjes en goudhaantjes.

Paal 27: bosbeheer
Enkele tientallen jaren geleden was het bosbeheer op de Veluwe er in hoofdzaak op gericht dat het geld op moest leveren. Er werd vooral gebruik gemaakt van snelgroeiende naaldhoutsoorten als lariks, fijnspar en douglas. Zo ontstonden er bospercelen van telkens maar één boomsoort. Veelal werd, als de bomen groot genoeg waren, het bosperceel in zijn geheel gekapt. In de loop der jaren kwamen er steeds meer bezwaren tegen deze wijze van beheer, met als resultaat dat nu de natuur en de recreatie veel zwaarder gewicht krijgen. Zelden wordt nog kaalslag toegepast. Oude en jonge bomen staan nu door elkaar. Bomen mogen oud worden. Zelfs een enkele dode boom mag blijven staan om vogels als spechten een nest gelegenheid en aan voedsel te helpen. In te donkere bosgedeelten worden wat bomen gekapt om zo zonlicht op de bodem te laten komen en onderbegroeiing kansen te bieden.

Paal 30: de Traa
Hier bent u bij de afscheiding tussen het bos en de heide. De Traa vormt al meer dan twee eeuwen de grens van het Edese bos.

Paal 35 : de Hessenkamp
Deze picknickplaats ligt aan de Hessenweg, een oude handelsroute vanuit Duitsland naar o.a. Amersfoort. In deze omgeving hebben hoge bomen lagere bomen en struiken onder zich. In deze struiklaag huizen veel zangvogels. Elk vogelpaar heeft er in de broedtijd een eigen territorium en verdedigt dit tegen soortgenoten. De vogelzang dient ervoor, die soortgenoten te verstaan te geven dat het terrein al bezet is. De zanglijster scharrelt over de grond om slakjes te zoeken. De merel, van huis uit een bosvogel, zoekt insecten, slakken, bessen en wormen. Het winterkoninkje broedt in braamstruiken en klimop. De kuifmees zit graag in naaldhout. Maar ook de koolmees, pimpelmees, roodborstje, vink en tsiftjaf zijn aanwezig. Echt bosvogels zijn ook de boomklever en de boomkruiper. De boomklever met zijn blauwgrijze rug klimt met schokjes in alle richtingen langs de boomstam, zoekend naar de insecten. De boomkruiper kruipt spiraalsgewijs tegen de boom omhoog en is steeds druk bezig. Zijn bovenkant is schorskleurig. Bij voorkeur bewoont hij loofbossen.

Paal 39: de grote stinkzwam
In de zomer of het najaar is er op plaatsen als deze na een regenbui een redelijke kans dat u een verrottingslucht, aaslucht, waarneemt. Na enig speurwerk kan blijken dat die stank afkomstig is van een grote stinkzwam. Het jeugdstadium van deze paddestoel wordt duivelsei genoemd, is eivormig en 3 tot 5 cm breed. Bij het rijp worden breekt de want van het ei en strekt de witte, holle steel zich in korte tijd omhoog tot ongeveer 20 cm lengte. De hoed van de steel is bedekt met een dikke groenige laag die sporen bevat en een sterke aasgeur verspreidt. Vliegen komen op de stank af, eten van de sporenmassa en verspreiden zo de sporen. In korte tijd is al het slijm verdwenen. De rest van het duivelsei blijft als een zak om de steelvoet zitten.

Paal 41: de reuzen-zilverspar
Voor ons, links van het pad, zien we een solitaire nog jonge reuzen-zilverspar. Verderop zien we er meer. Hier valt op dat de uiteinden van de takken min of meer vlak uitgespreid zijn. De naalden zijn ongelijk van lengte; afwisselend staan langere en kortere naalden schuin omhoog. De schors van de jonge bomen is glad en heeft blazen die met aromatische hars zijn gevuld.

Paal 44: de reuzen-zilverspar
Links staan reuzen-zilversparren die botanisch gezien behoren tot de familie van de den. In de volksmond worden ze echter als sparren aangeduid vanwege de gelijkenis met de spar. Een ander probleem is dat de reuzen-zilverspar vaak zilverspar wordt genoemd. Maar de echte zilverspar is in ons land zo slecht bestand tegen voorjaars- nachtvorst dat hij meestal sterft voor hij groot is. Recht omhoog kijkend ziet u de mooie tekening van de naalden, net kantwerk. De kegels zijn cilindervormig en staan omhoog. Als het zaad rijp is laten de schubben los en vallen af. De spil blijft dan nog een tijd lang op de tak staan.

Paal 46:
In dit oudere bos komt u steeds adelaarsvaren en mannetjesvaren tegen. Ook zijn hier nog goed de oude stronken van het eikenhakhout en de wildwal te zien. Dit gedeelte van het bos is het domein van spechten, kraaien, eksters, houtduiven, vlaamse gaaien, bosuilen, kortom de grotere vogels.

Paal 50:
U bent nu bij het beginpunt van de wandeling. Wij hopen dat u een prettige wandeling hebt gehad.

Eigenaren route
deVeluwe.nl
VVV

 

Regio: West Ede gemeente kaart

Download pdf